“Ik weet niet meer hoe ik het heb. Het lijkt wel of ik in een doolhof van lachspiegels ben beland. Ik sta ergens in New Orleans op een kruispunt. Voor me zie ik een blauwe Vishnu, de hindoegod die het heelal beschermt, maar geen van al zijn lange palingarmen wijst me de weg. Achter me kraait een haan. Als ik me omdraai, blijkt het een man te zijn, met een gouden snavel en een bloedrode hanekam. Boven me dansen zie ik linten als zoeklichten door de strakblauwe lucht schieten en mensen op de gietijzeren balkons die als mussen met hun armen staan te fladderen. Er rijdt een draak voorbij met een gemaskerde man erop – of is het een vrouw? Is dit echt Mardi Gras? vraag ik me af. Het lijkt wel of ik in een andere wereld verzeild ben geraakt.
Deze optocht, georganiseerd door de Society of St. Anne, lijkt in niets op het carnaval van de toeristenstraat Bourbon Street, dat in Amerika een nogal ordinair imago heeft. Het is eerder een extravagant soort buurtfeest in het bohémien-achtige Bywater – een van de zestien stadswijken van New Orleans – dat weinig gemeen heeft met de zuippartijen in het French Quarter.
Ik ben een week voor Mardi Gras, ‘Vette Dinsdag’ oftewel Vastenavond, naar New Orleans gekomen om de gezichten achter de exotische carnavalsmaskers te leren kennen. En om te zien hoe de stad aan de monding van de Mississippi, die in 2005 zo zwaar door de orkaan Katrina werd getroffen, de draad oppakt en weer als vanouds feestviert. Daarom ga ik naar de volksbuurten die de toeristen meestal links laten liggen en zoek ik de mensen op die Mardi Gras magisch maken.”













